Liplezen wordt tegenwoordig "spraakafzien" genoemd. Horende mensen vinden communicatie vanzelfsprekend; voor doven en
slechthorenden is dat vaak niet zo. Voor hen moet de communicatie vaak in meer
of mindere mate aangepast worden. Voor horenden is dat in het begin vaak erg
moeilijk, omdat ze voor het eerst in hun leven moeten nadenken bij het
communiceren. Een veelgehoorde klacht is dat horenden vaak zonder meer bereid
zijn zich aan te passen, maar dat ze òf niet beseffen hoe ze dat moeten doen òf
vergeten om het de hele tijd te blijven doen. Realiseert u zich dat deze
aanpassingen in de communicatie voor doven en slechthorenden heel belangrijk
zijn. Het maakt namelijk het verschil tussen een gesprek met moeite kunnen
volgen of er volledig buiten vallen! Omdat doven niet kunnen horen wat er gezegd wordt, moeten zij zien wat er
wordt gezegd. Voor slechthorenden geldt hetzelde in mindere mate: zij
ondersteunen het gehoor met hun ogen. Het aflezen van de mond en het gezicht heet spraakafzien (liplezen). Het gesproken Nederlands gebruikt 40
verschillende klanken. Het onderscheid tussen deze klanken is duidelijk te horen, maar slechts 10 klanken (25%) zijn goed van de mond af te
lezen. Gelukkig volgt een deel van de woorden (ca. 25%) uit de context van het
verhaal. Maar feit is dat de overige ca. 50% gegokt moet worden. Dit maakt
spraakafzien moeilijk en vermoeiend.
|